Vennootschapsbelasting
Een bedrijf die in een B.V. (of N.V.)wordt uitgeoefend en winst maakt, betaalt belasting: de zogenoemde vennootschapsbelasting. Hoeveel belasting moet worden afgedragen en in welk land een bedrijf belastingplichtig is, hangt van een aantal factoren af.
De vennootschapsbelasting wordt geheven over de winst van bepaalde ondernemingen, zoals de naamloze vennootschap (N.V.) en de besloten vennootschap (B.V.). Ook stichtingen en verenigingen kunnen vennootschapsbelasting verschuldigd zijn, namelijk voor zover zij een onderneming drijven.
Als u wilt weten hoe u en wanneer u precies vennootschapsbelastingplichtig bent, kunt u contact opnemen met een van onze belastingadviseurs.
Tarieven
De vennootschapsbelasting wordt berekend over het belastbare bedrag. Dit is de winst verminderd met eventuele aftrekbare giften en te verrekenen verliezen. Het tarief voor de vennootschapsbelasting over 2007 is:
- 20% over een belastbaar bedrag tot en met € 25.000
- 23,5% over een belastbaar bedrag van € 25.000 tot en met € 60.000
- 25,5% over een belastbaar bedrag boven € 60.000
Er is voorgesteld om vanaf 2008 de bovengrens van de eerste schijf van de vennootschapsbelasting te verhogen van € 25.000 naar € 40.000, waarbij het tarief gelijk blijft (20%). Eveneens wordt de bovengrens van de tweede schijf verhoogd van € 60.000 naar € 200.000, terwijl het tarief enigszins daalt van 23,5 naar 23%. Het tarief voor een belastbaar bedrag boven de € 200.000 blijft gelijk (25,5 %). Met deze voorgestelde wijzigingen in zicht kan het voordelig zijn om kosten nog in jaar 2007 te nemen, al moeten die natuurlijk wel betrekking hebben op het jaar 2007.
Afweging; voordelen van een B.V.?
Iedere ondernemer heeft de mogelijkheid en vrijheid om te kiezen of zijn/haar onderneming in een eenmanszaak/maatschap/V.O.F. (de zogeheten IB-onderneming) of een B.V. wordt uitgeoefend. Bij de keuze tussen deze twee ondernemingsvormen spelen een aantal afwegingen:
1 de juridische aspecten (aansprakelijkheid);
2 de fiscale aspecten (belastingdruk).
Bij de ondernemingsvorm eenmanszaak, maatschap of V.O.F. is het gehele vermogen – zowel het bedrijfsvermogen als privé-vermogen – aansprakelijk voor schulden en risico’s die verband houden met de bedrijfsuitoefening. Zit de onderneming in een B.V. dan is in beginsel alleen het vermogen van de B.V. aansprakelijk. Bij oprichting van de B.V. moet er minimaal € 18.000 aan aandelenkapitaal worden gestort (overigens komt er een voorstel om de oprichting van een B.V. te flexibiliseren waarbij naar verwachting ook deze minimumkapitaaleis zal komen te vervallen). Door inbreng van de bestaande onderneming met een waarde van minimaal € 18.000 behoeft geen storting in contanten plaats te vinden, omdat de waarde van de onderneming dan al toereikend is.
Met uitzondering van de situatie dat de aandeelhouder zich expliciet voor de B.V. aansprakelijk heeft gesteld of zich ‘misdraagt’ (aan te duiden als kennelijk onbehoorlijk bestuur), kunnen crediteuren van de onderneming de aandeelhouder in privé niet verder aanspreken. Overigens zal een schuldeiser (bijvoorbeeld de bank) kunnen proberen om terzake van een verstrekte geldlening ook het privé-vermogen als aansprakelijk vermogen te krijgen/houden. Alsdan wordt de aansprakelijkheidsbeperking, die in zijn algemeenheid voor een B.V. geldt, voor dat gedeelte wel doorkruist.
Indien op basis van genoemde juridische argumenten de keuze voor een B.V. niet de doorslag geeft, kan een fiscale afweging wel daartoe leiden; uiteraard zal in de meeste gevallen een combinatie van de juridische en fiscale redenen de doorslag geven voor de keuze vóór (of: tegen!) een B.V.
Of een B.V. in een voorkomend geval voordelig is zal in iedere specifieke situatie moeten worden doorgerekend en is met name afhankelijk van het huidige en beoogde winstniveau van de onderneming, het daaruit op te nemen salaris (dan wel dividend) en van overige factoren. Gezien de hiervoor genoemde tariefsverlaging van 2008 zal een fiscale keuze voor de BV eerder aan de orde zijn.
Ingeval u over dit onderwerp een toelichtend gesprek wilt, om van alle ‘ins’ en ‘outs’ van een B.V. op de hoogte te zijn, kunt u contact opnemen met één van onze belastingadviseurs.
De nieuwe Pensioenwet en de directeur-grootaandeelhouder
Op 1 januari 2007 is de Pensioenwet (hierna: PW) in werking getreden ter vervanging van de bestaande Pensioen- en Spaarfondsenwet.
In de PW is er in principe geen plaats meer voor de directeur-grootaandeelhouder (hierna: DGA), behalve voor de DGA die op 31 december 2006 reeds een pensioenregeling bij zijn eigen BV had en die voor 31 december 2007 bewust kiest voor de nieuwe PW. De reden dat DGA’s worden uitgezonderd van de PW is dat zij ‘meer ondernemer dan werknemer’ zijn en dus niet eenzelfde bescherming behoeven als een ‘echte werknemer’. De keuze voor de PW kan alleen worden gemaakt voor (het gedeelte van het) pensioen dat is ondergebracht bij een verzekeraar en dus niet voor het gedeelte dat in eigen beheer wordt gehouden.
Voor degene die na 31 december 2006 DGA is geworden of degene die al wel DGA was op 31 december 2006 maar nog geen pensioenregeling voor zichzelf had getroffen, geldt dus zonder meer dat de PW niet van toepassing kan zijn.
Wat zijn mogelijke voordelen van een keuze vóór de Pensioenwet
Het grote voordeel van een keuze voor de PW is dat er dan een civielrechtelijk afkoopverbod van toepassing is op het pensioenkapitaal; hierdoor geldt er een volledige bescherming bij faillissement. Met andere woorden, het bij een verzekeraar ondergebrachte pensioenkapitaal dat onder de PW valt kan dan niet door een curator worden aangesproken.
Echter, voor degene die niet voor de PW kiest geldt dat het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet ook bescherming bieden bij faillissement, hetgeen erop neerkomt dat de afkoop van pensioen niet mogelijk is als de pensioengerechtigde onevenredig wordt benadeeld (overigens is dit laatste in dat geval ter beoordeling van de Rechtbank).
Wat zijn mogelijke voordelen van eigen beheer zonder Pensioenwet
- De voordelen van het in eigen beheer opbouwen blijven in stand. Er is namelijk geen verplichting tot het extern verzekeren van pensioen. Door het in eigen beheer houden van de pensioenregeling door de BV behoeven er geen premies aan een verzekeraar te worden betaald, zodat er meer geld binnen de onderneming als werkkapitaal kan worden aangewend. Dit wordt nog eens versterkt doordat er een besparing van vennootschapsbelasting (Vpb) optreedt omdat de pensioenlast vanwege het in eigen beheer opbouwen van pensioen wel als een fiscale aftrekpost wordt aangemerkt.
- Het blijft mogelijk om wel tot externe verzekering over te gaan. Indien geen keuze voor de PW wordt gemaakt, dan is het ook mogelijk om het bij een verzekeraar opgebouwde pensioenkapitaal op pensioendatum uit te laten keren aan de BV (dit is niet mogelijk indien voor een verzekering wordt gekozen voor de PW).
- Inkoop van oude dienstjaren blijft mogelijk bij pensioen in eigen beheer.
Holdingstructuur?
Hiervoor is aangegeven dat met een keuze voor de PW wordt bereikt dat het pensioenkapitaal wordt beschermd tegen faillissement. Er geldt echter ook bescherming in situaties waarin niet wordt gekozen voor de PW door het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet. Daarnaast kan de BV-structuur een belangrijke rol spelen bij de bescherming tegen faillissement.
Dit kan door het pensioen niet op te bouwen in de BV waarin de onderneming wordt uitgeoefend (de zogeheten Werk-BV), maar door dit in een Holding-BV te doen; het is ook mogelijk om in dit verband een speciale Pensioen-BV op te richten. De zogenaamde holdingstructuur met een Holding- en Werk-BV kan eenvoudig als volgt worden weergegeven:
Indien de Werk-BV failliet zou worden verklaard, dan kunnen de schuldeisers zich in beginsel alleen verhalen op het vermogen van de Werk-BV en blijft het vermogen van de Holding-BV onaagetast.
In beginsel, want wanneer een bank (of andere schuldeiser) heeft geëist dat de DGA in privé of de Holding-BV ‘meetekent’ voor een schuld, dan is dit vermogen voor een dergelijke schuld weer wel aansprakelijk vermogen.
Daarnaast geldt dat ingeval van kennelijk onbehoorlijk bestuur (door Holding-BV als bestuurder van de Werk-BV en door de DGA als bestuurder van de Holding-BV) er een bestuurdersaansprakelijkheid geldt zodat het vermogen van de bestuurder ook kan worden aangesproken (hetgeen in de praktijk overigens niet vaak voorkomt c.q. kan worden aangetoond).
In het kader van de bescherming door de holdingstructuur is dan wel van belang dat de liquiditeiten die behoren bij de opgebouwde pensioenvoorziening ook in de Holding-BV zitten. Worden deze namelijk weer teruggeleend door de Holding-BV aan de Werk-BV dan zal de Holding-BV in dat verband ‘slechts’ worden aangemerkt als een concurrente schuldeiser.
De hiervoor besproken afscherming van het vermogen van de Werk-BV en het overige vermogen, is vaak ook de reden dat een eigen bedrijfspand geen eigendom is van de Werk-BV maar van de Holding-BV (dan wel een aparte Onroerende Zaak-BV); uiteraard kan het pand ook privé-vermogen zijn.